De moord op ir. F.H.E. Guljé

Categorieën gebeurtenissen,personen
Moord op Felix Guljé
foto van Guljé en Visser
Guljé (links) en Visser

Op 1 maart 1946 werd ’s avonds in de deuropening van zijn huis aan de Van Slingelandtlaan 8 in Leiden ir. F.H.E. Guljé doodgeschoten. De dader werd nooit gepakt. Guljé was directeur van de Hollandse Constructiewerkplaatsen, een groot Leids metaalverwerkend bedrijf. Daarnaast was hij gedelegeerd commissaris van het dochterbedrijf de NV Electrolaschmaatschappij en president-commissaris van NV Zaalberg dekenfabrieken. Beide bedrijven waren ook in Leiden gevestigd. Landelijk was hij bekend als voorzitter van de Algemeen Katholieke Werkgeversvereniging en van enkele andere katholieke werkgeversverenigingen.

De moord op Guljé in maart 1946 was groot nieuws. Enkele dagen na de moord brachten minister-president Schermerhorn en de minister van justitie Kolfschoten een condoleancebezoek aan de weduwe. Op zijn begrafenis sprak Jaap Le Poole, secretaris van het College van Vertrouwensmannen, een goede bekende van Guljé, enkele vriendschappelijke afscheidswoorden.

De moord lijkt nu opgelost omdat de dader een bekentenis heeft afgelegd. Op 8 juni 2011 maakte de burgemeester van Leiden H.J.J. Lenferink op een persconferentie bekend, dat de dader begin 2011 hem schriftelijke had bekend deze moord te hebben gepleegd. Het blijkt Atie Visser te zijn, in de oorlog lid van de Knokploeg van Marinus Post (‘Evert’). In 1999 publiceerde zij onder haar eigen schuilnaam ‘Karin’ het boek Marinus Post alias Evert. Oorlogsherinneringen uit 1944. In 1982 kreeg zij uit handen van de Leidse burgemeester het Verzetsherdenkingskruis.

Marinus Post en zijn (bekendere) broer Johannes waren twee landbouwers uit Drenthe, die hun boerderij hadden moeten verlaten omdat ze werden gezocht wegens het verbergen van ondergedoken Joden. Vanaf medio 1943 verbleven zij enige tijd bij hun broer Henk, die dominee was in Rijnsburg. Daar vormden zij allebei een eigen knokploeg, waarmee zij overvallen pleegden op distributiekantoren en gemeentehuizen. Johannes Post is bekend geworden als topman van de Landelijke Knokploegen LKP.

Marinus Post en leden van zijn ploeg verbleven ook enkele malen op adressen in Leiden zoals bij de sigarenwinkelier Dick Spoor uit de Johan de Wittstraat of bij de melkhandel Piet Linck in de Van Oldebarneveldtstraat. Zoals bekend werd Marinus Post in oktober 1944 gearresteerd en op 17 november van dat jaar in Alkmaar geëxecuteerd. Na het wegvallen van Marinus werd Dick Spoor leider van de KP.

Er is nu een bekentenis, maar is er ook enig ondersteunend bewijs? Niet uitgesloten moet immers worden, dat mw. Ridder niet de volledige waarheid heeft gesproken. Burgemeester Lenferink heeft mevrouw Ridder-Visser tweemaal gesproken en twijfelt niet aan de waarheid van haar recente verklaring over de uitvoering van de moord. Haar verhaal lijkt te kloppen met de – spaarzame – gegevens uit het politieonderzoek van destijds. Volgens verklaringen van mw. Guljé werd er die avond aangebeld door een jonge vrouw die naar haar man vroeg, maar niemand heeft gezien dat zij ook werkelijk het schot heeft gelost. Bewijsmateriaal is er niet.

Vrijwel direct ontstonden er geruchten, dat de moord op Guljé een afrekening was geweest door iemand uit de voormalige Leidse illegaliteit. In 1946 leverde het politieonderzoek (mede) op aanwijzing of suggestie van de weduwe Guljé twee verdachten op. Een jonge vrouw uit Oegstgeest (niet Atie Visser, zoals nu bekend is geworden) werd door de politie verhoord, maar zij bleek over een alibi te beschikken. Als tweede verdachte werd verhoord de ondercommandant van de Leidse Doelenkazerne. Deze man werd eveneens wegens gebrek aan bewijs of aanknopingspunten heengezonden. Daarna was het onderzoek doodgelopen. Maar dat onderzoek zelf lijkt niet echt gedegen te zijn geweest.

Zo raakte de moord op Guljé in de vergetelheid. Maar op 30 mei 1998 verscheen een artikel in het Leidsch Dagblad over deze zaak. De kinderen van Guljé beklaagden zich daarin dat de Leidse politie het er destijds bij had laten zitten. Zelfs werd gesuggereerd, dat de politie smeergeld had gevraagd aan de weduwe om het onderzoek voort te zetten. Het politiedossier en rapporten over het onderzoek bleken onvindbaar.

De zaak haalde de Tweede Kamer, waar de leden G. van Oven (PvdA) en J. Hoekema (D66) vragen stelden aan minister Sorgdrager van Justitie. Klaarblijkelijk hadden de nabestaanden met de parlementariërs contact gezocht. Sorgdrager liet de zaak onderzoeken, maar moest in juni antwoorden, dat het betreffende dossier spoorloos was. Een jaar later echter bleek het dossier toch weer aanwezig te zijn in het archief van de Gemeentepolitie Leiden, waar het tijdens de inventarisatie van dat archief was teruggevonden.

Op 16 en 20 juli 1999 verschenen er opnieuw artikelen in het Leidsch Dagblad over deze zaak naar aanleiding van de vondst van het politiedossier. ‘Moesten de zaken onder het tapijt worden geveegd?’ luidde een suggestieve onderkop, maar in het artikel werd niet duidelijk gemaakt wat er dan verborgen had moeten blijven. Daarna zakte de aandacht weer weg.

Nu heeft mw. Ridder-Visser dus schoon schip willen maken door haar versie van de gebeurtenissen te vertellen. Het blijkt, dat zij de moord met nog twee andere personen heeft beraamd en uitgevoerd. De een, wiens naam ongenoemd blijft, was net als zij medewerker van de Politieke Opsporingsdienst geweest. De andere was de genoemde winkelier Dick Spoor, die zij dus kende uit de KP-Evert.

Mw. Ridder-Visser komt ook met een motivering waarom zij destijds besloten hebben deze moord te plegen. Daarom is het interessant om eerst eens te kijken welke motieven er volgens de publieke opinie zouden kunnen zijn geweest. Was het een afrekening wegens onoorbare gebeurtenissen tijdens de oorlog, of was het toch een zaak uit de privésfeer? Het een sloot het ander zeker niet uit.

Guljé was namelijk in augustus 1945 gearresteerd onder verdenking van economische collaboratie en geïnterneerd in de Leidse Doelenkazerne, die was ingericht als interneringskamp. Na twee maanden voorarrest was hij vrijgelaten, maar zijn collega ir. J.E. Colin zat nog steeds vast en zou in totaal 13 maanden geïnterneerd blijven. Opmerkelijk is wel dat, zoals Meihuizen in zijn boek Noodzakelijk Kwaad beschrijft, tijdens de internering van Guljé in de Doelenkazerne diverse malen is geïntervenieerd om hem vrij te krijgen.

In de krantenartikelen in 1946, 1998 en 1999 werden enkele feiten en omstandigheden genoemd, die mogelijk een rol bij de moord hadden gespeeld. De dader was volgens de weduwe ongetwijfeld afkomstig uit de kringen van het verzet. Mogelijk ging het om een min of meer bekende Leidenaar, die aanvankelijk lid was geweest van de NSB, maar later bij het verzet was gegaan. Volgens de kinderen (in 1999) zou Guljé een verslagje hebben gemaakt over zijn ervaringen in de Doelenkazerne, waarbij vooral de arts het had moeten ontgelden. In de Doelenkazerne waren in augustus 1945 ruim 1300 mannen opgesloten en de leefomstandigheden waren niet al te best. Verschillende arrestanten zouden zijn overleden doordat deze arts hen de nodige medische zorg had onthouden.
Zo zou Arie van Duyn, de enige NSB-wethouder van Leiden, slecht zijn behandeld en op 24 juni 1945 zijn overleden aan de gevolgen van (waarschijnlijk) TBC. Wellicht dat dit verslag een aanleiding was geweest om Guljé het zwijgen op te leggen.

Maar misschien hield de moord wel verband met vijanden, die Guljé tijdens de bezetting had gemaakt. De journalist van het Leidsch Dagblad die in 1998 en 1999 de artikelen had geschreven, Cees van Hoore, had inzage gehad in de dossiers, die na de oorlog door de Politieke Recherche Afdeling Collaboratie waren aangelegd. De HCW en de Electrolasch hadden tijdens de oorlog diverse malen opdrachten voor de Duitsers uitgevoerd. Ook was personeel aangewezen voor tewerkstelling in Duitsland. Daarnaast was ongeveer 70% van het personeel lid van het Nederlands Arbeidsfront.
In 1946 had de directie zich op het standpunt gesteld, dat de Duitsgezinde activiteiten vooral op conto moesten worden geschreven van de bedrijfsleider. Deze man had men via het omkopen van een Duitse militair kunnen wegwerken. Bovendien had men door Duitse orders te accepteren getracht de werkgelegenheid in de fabriek, en dus in Nederland, te behouden.

Guljé en Colin verschilden wat hun houding betreft niet van de meeste andere Nederlandse industriëlen. Zoals Meihuizen laat zien, waren dit min of meer standaardverweren van ondernemers. De eigenaren/aandeelhouders waren zonder meer de absolute baas in het bedrijf en hadden de orders kunnen weigeren of aannemen, maar dan wel traineren. De HCW, die in 1941 nog voor fl. 100,000 aan aandelen had uitgegeven aan de eigen aandeelhouders, keerde in de oorlogsjaren steeds een dividend uit van 6%. In 1942 en begin 1943 hoopte men op een gunstig resultaat dankzij ‘de voortvarendheid der directie’. De orderportefeuille bleef gevuld. Wie waren de opdrachtgevers? Wat werd er gemaakt en wat was de kwaliteit van de geleverde producten?
Een afgewogen historische beoordeling van de activiteiten van beide bedrijven, hun directeuren en aandeelhouders kan alleen worden gemaakt met behulp van de dossiers in het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging. Lees daarover maar het dikke boek van Meihuizen (p.606-608).
Het verweer van Colin was zwak maar werd toch geaccepteerd. Uiteindelijk werd de zaak tegen Colin en Guljé eind november 1947 geseponeerd na een uitspraak van de Centrale Zuiveringsraad.

Nog een andere omstandigheid heeft mogelijk een rol gespeeld. In oktober 1944 had het illegale Leidse blad Kroniek van de Week het verhaal in de wereld geholpen, dat de HCW zou hebben meegewerkt aan de reparatie van de spoorbrug over het Rijn-Schiekanaal, die door spoorwegstakers onklaar zou zijn gemaakt. Enkele weken later werd deze beschuldiging door hetzelfde blad weer ingetrokken, maar de naam van Guljé was natuurlijk bezoedeld.
Verder zou Guljé geweigerd hebben geld af te dragen aan personen, die zeiden namens de illegaliteit te spreken. Hierover is verder nooit meer iets geschreven.

In de bekentenis van mw. Ridder-Visser speelt een brug een cruciale rol, alleen gaat het dan om – zoals de burgemeester verklaart – hoogstwaarschijnlijk de houten brug over de Haarlemmer trekvaart bij het Warmonder Tolhek.
Die brug zou door het verzet in brand zijn gestoken, maar de HCW had deze brug gerepareerd.
Er is echter geen enkele bevestiging te vinden over een actie tegen deze brug.

Het is ook eigenlijk niet van belang wat precies het motief is geweest. Laten de we zaak-Guljé maar als opgelost beschouwen, al blijven er nog een aantal belangwekkende vragen onbeantwoord.

Bronnen:
Verklaring van burgemeester drs. H.J.J. Lenferink op 8 juni 2011;
De Burcht, het Leidsch Dagblad, De Leidsche Courant, diverse nummer uit 1942, 1943 en maart 1946;
Leidsch Dagblad 30-5-1998, 16-7-1999 en 20-7-1999;
J. Meihuizen, Noodzakelijk kwaad. De bestraffing van economische collaboratie in Nederland na de Tweede Wereldoorlog (Amsterdam 2003);
www.leidenarchief.nl/beeldbank wo2;
‘Karin’, Marinus Post alias Evert. Oorlogsherinneringen uit 1944 (Zwolle-Kampen 1999);
G.C. Hovingh, Johannes Post exponent van het verzet (Kampen 1999, tweede druk).

Ik ben altijd geïnteresseerd in verhalen over de oorlog, maar ook in documenten. En foto's natuurlijk. De combinatie tussen verhaal, document en eventueel een foto is het boeiendst.
Vragen staat vrij, maar er blijft veel onopgelost.